Johan Cruijff en het Dream Team: hoe één man Barcelona opnieuw uitvond

Tien jaar na zijn afscheid als speler keerde Johan Cruijff in 1988 terug bij Barcelona. Ditmaal als trainer. Wat volgde was een van de meest legendarische periodes in de geschiedenis van het clubvoetbal. Maar hoe bouwde hij dat Dream Team op, en waarom eindigde het zo abrupt?

Een club in crisis

Barcelona was rijp voor een revolutie toen Cruijff aantrad. De clubcultuur was uitgehold. In tien jaar tijd hadden tien trainers uit zes verschillende landen het eerste elftal geleid. De toeschouwersaantallen waren teruggelopen naar gemiddeld veertienduizend per wedstrijd, en onder de laatste coach, Luis Aragonés, was de club afgezakt naar de zesde plaats in de competitie.

Daar bovenop speelde een vertrouwenscrisis tussen spelers en bestuur. Voorzitter Josep Lluís Núñez had dubbele contracten laten tekenen, maar deed alsof hij nergens van wist toen de fiscus verhaal came halen. Middenvelder Bernd Schuster stelde de kwestie publiekelijk aan de orde en vertrok als eerste, richting Real Madrid. Cruijff wist precies in welke situatie hij stapte: “Die club stond op nul, had overal schulden en een elftal dat niet met elkaar kon voetballen.”

Dertig spelers weg, een heel regiment terug

Cruijff begon radicaal. Hij stuurde dertig spelers weg en haalde een grote groep Spaanse voetballers terug, waaronder José Maria Bakero, Txiki Beguiristain en Julio Salinas. Uit de eigen jeugd liet hij Luis Milla en Guillermo Amor doorstromen. De renovatie kostte 35 miljoen gulden.

Het elftal kreeg pas echt een Cruijff-stempel toen Ronald Koeman en Michael Laudrup de zomer van 1989 arriveerden. Koeman had als opdracht de eerste bal altijd vooruit te spelen, direct op Laudrup. Zo konden ze in enkele stappen diep op de helft van de tegenstander voetballen. Omdat elke club in Spanje met twee aanvallers speelde, stelde Cruijff slechts drie verdedigers op. Nieuw en gedurfd.

Het Dream Team wordt geboren

De Catalaanse pers bedacht de naam: Dream Team. In zijn meest fenomenale wedstrijden speelde Barcelona voetbal dat in de stad nooit eerder was vertoond. Het positiespel was de kern: kort-kort-lang, gebaseerd op de trainingsvormen die Rinus Michels Cruijff ooit bij Ajax had aangeleerd.

In de zomer van 1990 versterkte Hristo Stoichkov het elftal. Met hem erbij won Barcelona aan kracht en snelheid voorin, maar ook aan brutaliteit. Stoichkov speelde op het randje van het toelaatbare, precies zoals Cruijff dat van zijn aanvallers verwachtte.

Op 27 februari 1991 beleefde Cruijff zijn donkerste moment. Hij werd met spoed opgenomen met dichtgeslibde kransslagaders. Twee bypasses redden zijn leven. Binnen een maand zat hij weer op de bank, de eeuwige sigaret ingeruild voor een lolly. Barcelona werd dat seizoen met overmacht kampioen.

Drie titels op rij en de Wembley-triomf

Drie jaar op rij pakte Barcelona de landstitel, telkens op de laatste speeldag, telkens omdat de directe concurrent op het cruciale moment bezweek. In het seizoen 1991/92 leek de competitie na dertien duels dood: Real Madrid had 25 punten, Barcelona slechts zeventien. Maar Barcelona vond zijn beste vorm en Real Madrid verloor op de slotspeeldag van Tenerife.

Het absolute hoogtepunt volgde op Wembley in 1992. Koeman schoot Barcelona met een vrije trap naar de Europese titel ten koste van Sampdoria. Cruijff had zich opnieuw onsterfelijk gemaakt.

Romário en het begin van het einde

Cruijff besloot de beste spits ter wereld te kopen: Romário, weggekaapt bij PSV. Het leek de perfecte afsluiting van het Dream Team. Maar het pakte anders uit. Koeman: “Romário dacht dat het positiespel tijdens de trainingen een rondootje was. Hij maakte 34 goals, maar het positiespel werd minder. Zijn komst ging ten koste van de snelheid.”

In 1994 bereikte Barcelona de Champions League-finale, maar een krachtig AC Milan ontregelde het Barça-spel volledig. De avond eindigde in 4-0. Het was het failliet van het Dream Team. Laudrup mocht vertrekken en koos, zoals Cruijff hem had kunnen aanraden, voor Real Madrid.

Het ontslag dat Cruijff nooit vergaf

Wat volgde, was een langzame aftakeling. In januari 1995 won Real Madrid de onderlinge topper met 5-0. Ook van Racing Santander verloor Barcelona met 5-0, en thuis tegen Atlético Madrid eindigde het in een 1-4 nederlaag. In april 1996 volgde het ontslag, na drie nederlagen in tien dagen.

Cruijff was woedend. “Jij bent een Judas”, snauwde hij vicevoorzitter Joan Gaspart toe. Hij dreigde met een rechtszaak wegens onrechtmatige contractbreuk.

In de laatste thuiswedstrijd van het seizoen, tegen Celta de Vigo, was Cruijff er al niet meer bij. Zijn zoon Jordi verliet als laatste het veld. Camp Nou barstte zowat uit elkaar van de emotie. De mensen wisten het. Ze waren Cruijff kwijt.